©v. Huize Udeko

Deze illustratie vertegenwoordigt niet noodzakelijk het ideaal voorbeeld van het ras

Duitse Dog

Standaard FCI N° 235 / 20.12.2012 /F
OORSPRONG: Duitsland
Verschijningsdatum van de geldige originele standaard: 20.12.2012

GEBRUIK: Gezelschaps-, waak- en verdedigingshond
F.C.I. indeling:
Groep 2: Pinschers & Schnauzers – Molossers – Berghonden & Zwitserse Sennenhonden en andere rassenSectie 2.1: Molossers, dogachtigen Zonder werkproef.

KORT HISTORISCH OVERZICHT:

De huidige Duitse dog kent twee rechtstreekse voorouders: de oude “Bullenbeisser” en de grote reuen gebruikt voor de lange jacht met windhonden, in het bijzonder op wild zwijn. Het formaat en de bouw van deze honden zijn een kruising tussen een sterke mastiff van het Engelse type en een snelle, wendbare windhond. Onder de benaming dog verstond men aanvankelijk een grote sterke hond, die niet tot een bepaald ras hoefde te behoren. Later verwezen volgende namen: “Ulmer dog”, “Engelse dog”, “Deense dog”, “Hatzrüde” (grote reu voor de lange jacht met windhonden), “Saupacker” (meutehond) en “grote dog” naar verschillende types honden die varieerden in kleur en grootte.In 1878 nam, in Berlijn, een commissie van 7 bekwame fokkers en keurders, onder het voorzitterschap van Dr. Bodinus, het besluit deze variëteiten te groeperen onder de naam “Duitse dog”. Zo werd de eerste steen gelegd voor de fok van een nieuw hondenras van Duitse oorsprong. In 1880 werd, ter gelegenheid van een tentoonstelling in Berlijn, de eerste standaard van de Duitse dog opgesteld. Vanaf 1888 werd het ras toevertrouwd aan de “Deutscher Doggen Club 1888 e.v.” die deze standaard, in de loop der jaren, meermaals heeft aangepast. De huidige vormgeving en inhoud stemmen overeen met het model voorgesteld door het F.C.I.

ALGEMENE VERSCHIJNING:

Door zijn algemene verschijning verenigt de Duitse dog karakteristieken als fierheid, kracht en elegantie in een adellijk geheel. Hij is groot, krachtig en harmonieus van bouw. Door zijn substantie verbonden aan zijn adellijkheid, door zijn harmonieus voorkomen, zijn goed geproportioneerde gestalte en zijn bijzonder expressief hoofd geeft hij de indruk een standbeeld vol verhevenheid te zijn. Hij is niet te licht of te grof en heeft een uitgesproken geslachtstype. Hij is de Apollo onder de hondenrassen.

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN:

Het lichaam is nagenoeg vierkant, dit geldt in het bijzonder voor reuen. De teven mogen iets langer gebouwd zijn.

GEDRAG / KARAKTER:

De Duitse dog heeft een goed karakter, is liefdevol en gehecht aan zijn baasjes, in het bijzonder aan kinderen, maar terughoudend tegenover vreemden. Hij behoort een zelfzekere, volgzame, leergierige en gevoelige gezelschaps- en familiehond te zijn, die geen angst en agressiviteit vertoont en een hoge prikkeldrempel heeft.

HOOFD:

In harmonie met zijn gehele verschijning, langgestrekt, smal, markant, zeer expressief. Nooit wigvormig. Mooi gebeiteld (vooral het gedeelte onder de ogen). De afstand van de neuspunt tot de stop en van de stop naar de weinig ontwikkelde achterhoofdskam  moet zo gelijk mogelijk zijn. De bovenlijnen van schedel en neusrug moeten parallel lopen. In vooraanzicht moet het hoofd smal lijken met een zo breed mogelijke neusrug.

Schedel: De wenkbrauwbogen zijn goed ontwikkeld, zonder vooruit te steken.
Stop: Duidelijk gemarkeerd.

AANGEZICHT:

Neus: Goed ontwikkelt, meer breed dan rond en met goed openstaande neusgaten. De neus moet zwart zijn, behalve bij de zwart-wit gevlekte doggen, waarbij een zwarte neus gewenst is, maar een onvolledig gepigmenteerde of vleeskleurige neus wordt toegestaan. Bij de blauwe doggen is een antracietkleurige (verwaterd zwarte) neus toegestaan.
Snuit: Moet diep en zo rechthoekig mogelijk, niet spits, te weinig ontwikkelde lippen, of lager dan de onderkaak hangende lippen (fladderlippen) met duidelijk zichtbare liphoeken. De neusrug mag nooit concaaf (schotelvormige), bolle (haviksneus) of aflopend naar de neus toe. (Adelaarsneus) De lippen mogen niet te kort of te lang zijn met een donkere pigmentatie. Bij de zwart-wit gevlekte doggen zijn onvolledig gepigmenteerde of vleeskleurige lippen toegestaan.
Kaak / Tanden: Goed ontwikkelde, brede kaken. Krachtig, gezond en volledig schaargebit (42 tanden volgens het gebitsschema).  Elke afwijking van een compleet schaargebit (behalve voor het ontbreken van de twee x P1 in onderkaak) is zeer ongewenst.
Bakken/Wangen: De wangspieren mogen slechts licht ontwikkeld zijn, niet sterk uitpuilend.
Ogen: Middelgroot, met levendige, intelligente en vriendelijke uitdrukking, amandelvormig, de oogleden nauw aansluitend tegen de oogbol, niet  te ver uiteenstaande ogen of spleetogen, zo donker mogelijk. Lichte, priemende of ambergele ogen zijn ongewenst. Bij blauwe doggen worden iets lichtere ogen toegestaan. Bij zwart-wit gevlekte doggen worden lichte of verschillend gekleurde ogen getolereerd.
Oren: Hoog aangezet, van nature hangend, middelgroot, de voorste randen liggen dicht tegen de wang. Te hoog , te laag aangezet, te vlak liggend of te ver afstaand van de wang is niet gewenst.

HALS:

Lang, droog en goed gespierd nooit kort of dik. Vanaf zijn goed gevormde aanzet versmalt hij licht naar het hoofd toe, met een goed gebogen halslijn. Rechtop gedragen, lichtjes naar voren neigend maar geen hertenhals. Te losse keelhuid of wammen zijn ongewenst.

LICHAAM:

Schoft: Dit is het hoogste punt van het krachtige lichaam dat wordt gevormd door de schoudertoppen, die boven de doornuitsteeksels van de wervels uitkomen.
Rug: Korte en goed gestrekte rug, in bijna loodrechte lijn, licht naar achter aflopend, nooit te lang of naar achter oplopend.
Lendenen: Licht gewelfd, breed en sterk gespierd.
Croupe/Kruis : Breed, sterk gespierd, van het kruisbeen tot de staartaanzet licht aflopend en onmerkbaar overgaand in de staartaanzet: Nooit  vlak liggend of te sterk afvallend.
Borst: Reikend tot aan de ellebogen. Goed gewelfde en ver teruggaande ribben maar nooit vlakke of tonvormige ribben. Borstkas van goede breedte en diepte, met een uitgesproken voorborst zonder overmatig uitstekend borstbeen.
Buiklijn: Buik naar achter toe goed opgetrokken, een mooi opgetrokken lijn vormend in het verlengde van de onderkant van de borstkas. Bij teven zijn onvoldoende terruggetrokken melkklieren niet gewenst.

STAART:

Reikt tot aan het spronggewricht.  Niet te lang of te kort. Hoge en brede aanzet, niet te hoog of te laag en niet te dik. Geleidelijk versmallend naar het uiteinde. In ruststand hangt hij op natuurlijke wijze naar beneden; in actie of bij opwinding kromt hij zich licht tot sabelvorm, zonder merkbaar boven de ruglijn uit te komen.
Een borstelstaart is ongewenst.

LEDEMATEN:

VOORHAND:
Goed gehoekt met sterke spieren en botten.
Schouder: Sterk gespierd. Lang en schuin liggend schouderblad dat met de opperarm een hoek van 100 tot 110 graden vormt.
Opperarm: Krachtig en gespierd, goed aansluitend op de borstkas, moet iets langer zijn dan het schouderblad.
Elleboog: Noch naar binnen noch naar buiten draaiend.
Onderarm: Krachtig, gespierd, zowel in voor- als in zijaanzicht perfect loodrecht.
Pols: Stevig, krachtig, zich slechts in geringe mate van de onderarm onderscheidend.
Middenvoorvoet: Krachtig, van voren gezien loodrecht, van opzij gezien slechts lichtjes naar voren neigend.
Voorvoeten:  Rond, hoog opgetrokken en gesloten tenen (kattenvoeten), Nagels kort, sterk en zo donker mogelijk.

ACHTERHAND:
Het gehele beendergestel is bedekt met sterke spieren die de croupe, de heupen en de dijbenen breed en rond doen lijken.  De sterke en goed gehoekte achterhand, lopen van achteren gezien parallel aan de voorpoten.
Dijbeen: Lang, breed en sterk gespierd.
Knie: Sterk, bijna loodrecht onder het heupgewricht geplaatst.
Onderbeen: Lang, ongeveer dezelfde lengte als het dijbeen, goed gespierd.
Spronggewricht: Krachtig, stabiel, noch naar binnen noch naar buiten gericht.
Middenachtervoet: Kort, krachtig, bijna loodrecht op de bodem staand.
Achtervoeten: Rond, hoog opgetrokken en gesloten tenen (kattenvoeten), nagels kort, sterk en zo donker mogelijk.

GANGWERK:
Harmonieus, soepel, goed uitgrijpend, licht verend. In voor- en achteraanzicht bewegen de voor- en achterhand zich parallel ter hoogte van de mediaanlijn van het lichaam.

HUID:
Nauw aansluitend, bij eenkleurige doggen goed gepigmenteerd. Bij de zwart-wit gevlekte doggen komt de pigmentverdeling hoofdzakelijk overeen met de vlekkenverdeling.

VACHT:
Haar: Zeer kort en dicht, steil en plat liggend, glanzend.  Mag nooit grof, dof of een dubbele vacht hebben.

Kleur: De Duitse dog wordt gefokt in drie onafhankelijke kleurslagen: 

  • geel / gestroomd,
  • zwart/ zwart-wit  gevlekt
  • blauw.

Gele doggen: De vacht gaat van licht tot donker goudgeel, een zwart masker is gewenst. Nooit grijs-, blauw-, isabel- of vuilgele kleur. Kleine witte aftekeningen op borst en/of voeten zijn ongewenst.

Gestroomde doggen: De grondkleur gaat van licht tot donker goudgeel met zwarte, duidelijk getekende en zo gelijkmatig mogelijk verdeelde strepen, die evenwijdig met de ribben lopen, een zwart masker is gewenst. Nooit met  zilverblauwe, izabelkleurige grondkleur of verwaterde strepen. Kleine witte aftekeningen op borst en/of voeten zijn niet gewenst.

Zwart-wit gevlekte doggen (wit afwisselend gekleurd met zwart): Zuiver witte grondkleur, liefst zonder doorslag van zwarte haren, waarbij lakzwarte vlekken met ongelijkmatige omtreklijn en van verschillende grootte, goed verdeeld zijn over de gehele lichaamsoppervlakte. Grijze of bruinachtige vlekgedeelten in het zwart zijn ongewenst evenals blauw/grijs gesticheld in het wit. De zogenaamde grautiger of grijstijger (grijze grondkleur met zwarte vlekken) kunnen voorkomen, ze zijn noch wenselijk, noch te worden gediskwalificeerd.

Zwarte doggen: Lakzwart, witte aftekeningen zijn toegestaan. Tot deze kleurslag behoren ook de manteldoggen, waarbij de toonaangevende zwarte kleur het lichaam als een mantel bedekt en waarbij de voorsnuit, hals, borst, buik, ledematen en staartpunt wit kunnen zijn. Ook doggen waarbij de grondkleur van de vacht wit is met grote zwarte platen (Plattenhunde) behoren tot deze kleurslag.
Nooit zwart met gele, bruine of blauwe schijn.

Blauwe doggen: De vacht is zuiver staalblauw, witte aftekeningen op de borst en/of aan de voeten zijn toegestaan. Nooit een geel- of zwartblauwe kleur.

GROOTTE:
Schofthoogte:
Reuen: minimum 80 cm maar niet meer dan 90 cm.
Teven: minimum 72 cm maar niet meer dan 84 cm.

FOUTEN:
Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd, en de ernst waarmee de fout moet worden beschouwd, moet in de juiste verhouding zijn, tot de mate en het effect ervan op de gezondheid en het welzijn van de hond.

  • Hoofd: Onvoldoende stop.
  • Snuit: Gerold in lip (de onderlip is vastgeklemd tussen de snijtanden van boven-en onderkaak).
  • Kaak/tanden: Onregelmatige stand van de snijtanden zolang de beet correct blijft, tanden te klein. Gedeeltelijk tanggebit.
  • Ogen: uitpuilende of te diep in de oogholten geplaatste ogen.
  • Schouders: Losse of beladen schouders, te steil liggend schouderblad.
  • Elleboog: Los ellebooggewricht, naar binnen of naar buiten draaiend.
  • Onderarm: gebogen, verdikking boven de pols.
  • Middenvoorvoet: Te schuine of te steile stand.
  • Achterhand: Te veel of te weinig hoeking. Nauwe, koehakkige of o-benige stand van de spronggewrichten. Hakken die open, vergroot of instabiel.
  • Voeten: Vlak, gespreide tenen, te lang. Aanwezigheid van Hubertusklauwen.

ZWARE FOUTEN:

  • Gedrag / Karakter: Gebrek aan zelfzekerheid, nervositeit, lage prikkeldrempel.
  • Hoofd: Appelhoofd. Te sterk ontwikkelde wangspieren.
  • Ogen: Niet aangesloten oogleden. Te roodgekleurd oogbindvlies.
  • Rug: Zadelrug, karperrug.
  • Croupe/Kruis: te sterk afvallend.
  • Gangwerk: voortdurend in telgang gaand.
  • Staart: Een kapotgeslagen staart, aan het staartuiteinde verdikte of gecoupeerde staart.

DISKWALIFICERENDE FOUTEN:

  • Agressieve of extreem schuwe honden.
  • Elke hond die duidelijk fysieke of gedragsafwijkingen vertoont moet worden gediskwalificeerd.
  • Gedrag / Karakter: Angstbijters, honden met een lage prikkeldrempel.
  • Neus: Pigmentloze neus, gespleten neus.
  • Ogen: Entropion, Ectropion en Makroblepharon. Verschillend gekleurde ogen bij alle eenkleurige doggen of waterige blauwe ogen.
  • Gebit: Onder- of bovenvoorbeet, kruisgebit, tanggebit, ontbrekende tanden (behalve twee maal P 1 in de onderkaak).
  • Staart: knikstaart.
  • Kleur: Zilverblauw en isabel kleur in geel en gestroomd. Gele en gestroomde doggen met witte plek op het voorhoofd, witte halsring, witte voeten of witte “sokjes”, of witte staartpunt. Witte doggen zonder enige vorm van zwart (albino’s), dove doggen, de zogenaamde porseleintijgers (deze hebben overwegend blauwe, grijze, gele of gestroomde vlekken).
  • Grootte: Wanneer de door de standaard vastgelegde minimumhoogte niet wordt bereikt (zie grootte).

NB: Reuen moeten twee normaal ontwikkelde teelballen hebben, die volledig in het scrotum zijn afgedaald.

(Vertaald  door Y. Koppelmans)

©v. Huize Udeko